Besmettelijke ziekten

A- A A+

Animal Care Vet - Zwijndrecht - Besmettelijke ziekten

Honden

Inleidend verhaal

De eerste vaccinaties ('babyspuitjes') worden aan pups toegediend rond 6 à 7 weken leeftijd. Deze pups kunnen dan aan hun nieuwe eigenaar afgeleverd worden rond 8 à 10 weken, afhankelijk van de chip-controle door St. Hubertus, maar ook afhankelijk van de persoonlijke ingesteldheid van de fokker.

Sommige kwekers houden eraan de pups niet te vroeg af te staan en dat is zeker een pluspunt. Die jonge dieren zijn nog heel gevoelig aan stress en alhoewel het zo niet lijkt, is een verandering van omgeving met de bijbehorende niet-aflatende extra aandacht van (een massa) vreemde mensen moeilijk te verwerken voor zo'n pup. Hier komt dan nog eens bij dat hij de vertrouwde warme en veilige omgeving bij zijn moeder verliest samen met het contact van zijn nestgenoten. Redenen genoeg dus om er even niet goed van te zijn en zich 'slecht' te voelen. Hoe jonger een pup het nest verlaat hoe gevoeliger voor deze stressfactoren en hoe meer risico dat het jonge dier ziek wordt.

Andersom zijn er natuurlijk ook fokkers die het plezantste deel van het houden van pups voor geen geld willen missen (spelende, grollende jonge honden zijn ALTIJD schattig). Daarom willen sommigen hun pups pas laten gaan rond 3 maanden en dat is jammer voor de nieuwe eigenaar omdat die eerste 3 maanden zeer belangrijk zijn voor het latere gedrag en het karakter van het dier.
De ideale oplossing naar ons gevoel is - zoals meestal - de gulden middenweg. Het ophalen van pups zou ten vroegste op 8 weken en ten laatste op 10 weken moeten gebeuren. Dit is geen verplichting, enkel een advies dat wij langs deze weg willen meegeven.

Het toedienen van vaccins gebeurt op verschillende tijdstippen in het leven van het dier en dit gedurende gans zijn leven. Hierover wordt echter zowel door sommige hondenkwekers als door sommige wetenschapsmensen vragen gesteld. Over de zin en onzin van vaccinaties kan gediscussieerd worden, en ook over de vraag of er niet wordt 'over'-gevaccineerd. Zolang de beschikbare vaccins niet veranderen is er echter geen wetenschappelijke fundering dat we verkeerd handelen en blijft het motto : veiligheid boven alles en voorkomen is ...

De vaccintoedieningen kunnen schematisch onderverdeeld worden in volgens de omgangstaal gebruikte terminologie, namelijk de babyspuitjes, de tussenspuit, de eerste en tweede volwassen vaccinaties en de jaarlijkse rappel. Om u mee te helpen deze herhalingen op een juist tijdstip te laten geven, zenden wij u een uitnodiging ter herinnering.

Een klein woordje uitleg dient er gegeven te worden omtrent twee vaccins die nog niet besproken zijn; met name de kennelhoest en de hondsdolheid. Hondsdolheid wordt gegeven aan dieren die meegaan naar het buitenland, de wetgeving kan sterk verschillen van land tot land voor dieren die meegaan naar het buitenland. Kennelhoest is dan weer een vaccin dat gegeven wordt aan dieren die op plaatsen komen waar veel honden op kleine ruimtes bij elkaar komen. Dit kan gaan van het hondenpension tot de hondenshow en de hondenschool.

Hondenziekte

Dit is een virusziekte die over de hele wereld voorkomt en die zeer besmettelijk is. De ziekte kenmerkt zich door verschillende uiteenlopende symptomen zoals in de eerste fase hoesten en etterige neusvloei, die veelal gepaard gaat met hoge temperaruur (> 40° C).

In een later stadium gaan er zich ook blijvende zenuwletsels voordoen - zenuwtics en mankheid - waardoor ernstige en onleefbare invaliditeit ontstaat. De ziekte is diersoort-specifiek (!! ook bij fretten!!) en tast alle leeftijdscategorieën aan, maar het zijn vooral de jonge honden die ernstig ziek worden en vervolgens meestal aan de ziekte overlijden.

Vreemde diersoorten die ook gevoelig zijn voor hondenziekte zijn de zeehond, de wasbeer ...

Besmettelijke hepatitis

Of Hepatitis Contagiosa Canis is een virusaandoening, die vooral verspreid wordt via de urine van geïnfecteerde honden. De symptomen variëren van lichte koorts tot een ernstige leverontsteking met hoge koorts heeft. Deze dieren eten niets en uiteindelijk kunnen ze sterven. Soms kunnen de symptomen van besmettelijke leverziekte lijken op die van hondenziekte. Vooral bij jonge honden kan de ziekte zeer plotseling de dood veroorzaken.

Parvovirose

Dit is een uiterst besmettelijke virusziekte die aan in het begin van de 80tiger jaren als een massale en vernietigende uitbraak is opgetreden. De ziekte was voor die tijd eigenlijk niet bekend. Het virus wordt meestal verspreid via de uitwerpselen van een besmette hond. In de buitenwereld kan het virus zeer lang overleven en blijft het nog lang besmettelijk. Dit maakt dat het heel moeilijk is om besmetting te voorkomen, vooral in omgevingen waar dikwijls veel honden samenkomen (pension, kweker, scholen...). Het eerst voorkomende symptoom van de ziekte is intens braken, dikwijls gepaard gaande met bloederige en sterk ruikende diarree. Door uitdroging en het zeer snelle verloop van de aandoening stierven in het begin de meeste dieren, daar waar nu betere behandelingsmethoden bestaan. De prognose blijft toch nog altijd zeer gereserveerd, zeker bij jonge dieren.

Het virus is wereldwijd onder de honden verspreid. Het is immers zo dat iedere hond drager en uitscheider is van het virus, maar in beperkte mate, hij heeft er geen last van. Enkel onder stress situaties, als het afweersysteem van de hond wordt aangetast, is een uitbraak mogelijk.

Leptospirose

Of de Ziekte van Weil of "rattenziekte" is een verzamelnaam van aandoeningen die veroorzaakt worden door Leptospiren. Dit zijn beweeglijke bacteriën (spirocheet), die in staat zijn om via wondjes van het slijmvlies van de neus en/of de mondholte en zelfs via de huid het lichaam binnen te dringen. Een van die Leptospiren geeft de Ziekte van Weil die zowel bij mensen als bij dieren voorkomt. Het zijn vooral de nieren, maar ook de lever die worden aangetast en waardoor blijvende schade ontstaat. Soms kan Leptospirose zeer snel verlopen met symptomen als hoge koorts, gele slijmvliezen en donkergele tot bloederige urine.De belangrijkste infectiebron is water dat besmet is geraakt met urine van geïnfecteerde dieren (vooral ratten). Leptospiren kunnen gedurende maanden of zelfs langer worden uitgescheiden door dieren, waar de infectie sluimerend in de nieren aanwezig is. Leptospirose is dus niet alleen gevaarlijk voor de hond, maar ook voor zijn omgeving en dus voor de mens levert dit dus een potentieel risico op.

Kennelhoest

Dit is een aandoening die veroorzaakt wordt door een combinatie van een aantal virussen en bacteriën. De ziekte dankt zijn naam aan het veelvuldig voorkomen ervan in kennels, waarbij verschillende honden vlak bij elkaar zitten, er voortdurend geblaft wordt en er regelmatig nieuwe dieren binnenkomen.

Het meest opvallende symptoom van de ziekte is een voortdurende intense en droge hoest, luidruchtig schrapen van de keel en opgeven van wit slijm. Kennelhoest is dus een infectie met verschillende kiemen tegelijk. Het wordt veroorzaakt door het Parainfluenzavirus dat zeer besmettelijk is en ontstekingen met kleine bloedinkjes op het slijmvlies van de luchtwegen veroorzaakt. De tweede kiem, namelijk het Adenovirustype 2, geeft ook ontstekingen in het longweefsel, waardoor gemakkelijk een bacteriële longontsteking kan ontstaan. Als derde is Bordetella een van de bacteriën die vaak gevonden wordt ofwel als een secundaire infectie, ofwel als medeverwekker van de ziekte zelf.

Het onderscheid met een banale keelontsteking is op consultatie niet altijd te maken.

Hondsdolheid

Of razernij is een ziekte die voorkomt bij alle warmbloedige dieren en die dus ook kan overgebracht worden op de mens. Het is een dodelijk virus dat zich meestal pas enkele weken na de besmetting openbaart. De besmetting gebeurt over het algemeen via een beet of een krab van een geïnfecteerd dier (vooral vossen blijken gevaarlijk). Via het toegebrachte (kleine) wondje verspreidt het virus zich naar de zenuwen en de hersenen van het slachtoffer. In een later stadium verspreidt het virus zich door gans het lichaam en ook naar de speekselklieren. Dit speeksel is dan vaak weer de bron van infectie voor een volgend slachtoffer. De kat en de hond zijn door hun levenswijze een van de diersoorten die de besmetting kunnen overbrengen op de mens. Vooral in streken waar hondsdolheid voorkomt is het zinvol en soms zelfs verplicht de katten en de honden te vaccineren tegen hondsdolheid. Dit is uiteraard in het belang van het dier zelf, maar zeker ook in het belang van de mensen die met deze dieren in contact kunnen komen.

Dieren die aangeboden worden bij de dierenarts met vermoedens van hondsdolheid, mogen niet behandeld worden (wegens het gevaar voor de mens) maar moeten in quarantaine. Regels kunnen opgelegd worden dat deze dieren moeten afgemaakt worden zelfs voordat een definitieve diagnose wordt gesteld!

Herpes

Dit kan grote sterfte bij pups veroorzaken, voornamelijk in de leeftijdscategorie van 1-3 weken. De ziekte en dus ook het overlijden van de pups treedt meestal onverwachts en snel op. Soms sterft zelfs het hele nest binnen enkele dagen.

Bij pups boven de 5-6 weken en bij volwassen honden levert een herpes infectie zelden problemen op.

Besmettingswegen en verloop

Bij de volwassen hond komt het virus vooral voor op de slijmvliezen van keel en neus en kan via het likken worden overgebracht op de slijmvliezen van de geslachtsorganen. Tijdens de dekking is overdracht ook mogelijk. In de eerste fase kunnen er kleine blaasjes op de slijmvliezen van keel, neus of geslachtsorganen gevonden worden. Herpesvirussen hebben de vervelende eigenschap na een infectie niet te verdwijnen, want na deze eerste infectie trekt het virus zich terug in het centrale zenuwweefsel waar het verder geen symptomen meer veroorzaakt. De honden die een besmetting hebben meegemaakt, zijn dan ook blijvend besmet zonder dat ze ziek zijn. Deze dieren worden dus symptoomloze dragers. Ze zijn echter hooguit gedurende korte perioden weer besmettelijk, nl als het virus zich heeft geactiveerd onder invloed van stress bijvoorbeeld. Dit kan het best vergeleken worden bij de mens die periodiek (soms uitzonderlijk) last heeft van koortsblaasjes of aften ter hoogte van de mond.

Pups kunnen op verschillende manieren besmet worden. In de baarmoeder is overdracht via de placenta mogelijk. Anderzijds kunnen pups besmet worden tijdens de passage van het geboortekanaal, als net op dat moment de teef besmet is geraakt en het slijmvlies de hoger vermelde blaasjes heeft. Ook kan de pup juist na de geboorte besmet raken door het likken van de teef of door inademing van virusdeeltjes. Verder kan het virus zich makkelijk van pup tot pup verspreiden.

Symptomen

De eerste symptomen treden op ongeveer 1 week na besmetting, dus bij pups van < 2 weken. Pups hebben een lage lichaamstemperatuur en het virus kan zich ook het best ontwikkelen bij 35-36 °C. Aangetaste pups worden sloom, willen niet meer drinken en gaan veel janken. Ze voelen koud aan en gaan zienderogen achteruit. De meeste pups sterven binnen 24-48 uur na het optreden van de eerste symptomen. Dikwijls verliest men zo op minimum van tijd een ganse nest.

Als de pups bij besmetting wat ouder zijn (> 14 dagen) dan kunnen ze hun lichaamstemperatuur zelf op een hoger peil houden en dan hebben ze meer kans op overleving.

Pups die ouder zijn dan 6 weken gaan zelden dood aan een herpesinfectie. In de behandeling is de verhoging van de omgevingstemperatuur tot 40 °C, dan ook een zeer belangrijke maatregel om de ontwikkeling van het herpesvirus af te remmen en zo het aantal sterfgevallen te verminderen.

Diagnose

Wordt vooral gesteld op basis van de symptomen. Deze zijn echter niet specifiek. Een meer zekere manier is een autopsie van een verse overleden pup. Bij de autopsie kan een meer specifiek beeld opgemerkt worden: bloedingen in de nier en vochtopstapeling in borstkast en buikholte zijn typisch voor een Herpesinfectie. Hier moeten we nogmaals onderstrepen dat we al een dode pup hebben en dat daarmee de tijdsdruk voor therapie voor de nestgenoten hoog ligt!

Behandeling

Indien een nest is aangetast, dan kan er op geen andere (officiële) behandeling toegepast worden dan een aanpassing van de omgevingstemperatuur en het maximaal voorkomen van verzwakking en uitdroging via sondevoeding en vochttoediening. De prognose is zeer gereserveerd vooral bij jonge pups. Bij ons in de praktijk wordt een alternatieve therapie toegepast, die vooreerst met de eigenaar wordt besproken en die veelal een spectaculair resultaat binnen de 24 uur laat zien.

Bedenkingen:

HBehandeling

Het blijkt dat het overgrote merendeel van de volwassen honden met dit virus in contact zijn gekomen. Inenten van dit soort honden heeft dus geen zin want ze zijn niet meer vatbaar voor een nieuwe infectie. Wat we niet weten is hoe vaak deze dieren virus kunnen uitscheiden. Vermits de antistoffen in de bloedcirculatie maar heel kortstondig aanwezig blijven (2-3 maanden) is de bepaling ervan zinloos om de positieve dieren te identificeren. Het risico op een uitbraak en een besmetting van de pups zal dus het grootst zijn als de teef onder zware stress wordt geplaatst waardoor het virus zich kan activeren (koortsblaasjes).

Preventie:

Tegenwoordig kan men de teef (en de nest) preventief tegen herpes beschermen via vaccinatie. Het vaccinatieschema bestaat erin dat er voor of juist na de dekking een eerste vaccin wordt toegediend. Dit zal een eventuele invloed van het virus op de implantatie en verder vroegere ontwikkeling van het embryo afremmen. Vermits er maar een kortstondige bescherming wordt opgebouwd, is er een tweede inenting nodig tijdens de tweede helft van de dracht. Deze zal vooral extra bescherming bieden aan de pup tijdens de uitdrijvingsfase en tijdens de eerste periode na de geboorte (bv besmetting via likken door de teef). Vermits de opgewekte antistoffen slechts een korte periode aanwezig zijn, heeft het geen zin om dit vaccin routinematig jaarlijks te gebruiken.

Katten

Inleidend verhaal

De eerste vaccinaties ('babyspuitjes') worden aan kittens toegediend rond 6 à 7 weken leeftijd. Deze kittens kunnen dan aan hun nieuwe eigenaar afgeleverd worden rond 7 à 8 weken, afhankelijk van de leefomgeving voor prive nestjes en de ingesteldheid van de persoonlijke ingesteldheid van de individuele raskatten-fokker.

Sommige kwekers houden eraan de kittens niet te vroeg af te staan en dat is zeker een pluspunt. Die jonge dieren zijn nog heel gevoelig aan stress en alhoewel het zo niet lijkt, is een verandering van omgeving met de bijbehorende niet-aflatende extra aandacht van (een massa) vreemde mensen moeilijk te verwerken voor zo'n dier. Hier komt dan nog eens bij dat zij de vertrouwde warme en veilige omgeving verliest samen met het intense speelcontact van zijn nestgenoten. Redenen genoeg dus om er even niet goed van te zijn, zich 'slecht' te voelen en zich voor enkele dagen weg te steken of zich minstens wat af te zonderen. Een kitten dat het nest verlaat is wel minder gevoelig dan een jonge hond voor deze stressfactoren en zal dan ook minder risico lopen om ziek te worden.

Andersom zijn er natuurlijk ook fokkers die het plezantste deel van het hebben van kittens voor geen geld willen missen (spelende, vechtende en grollende jonge katten zijn ALTIJD schattig). Daarom willen sommigen hun kittens pas vanaf 10 weken laten gaan en dat is jammer voor de nieuwe eigenaar omdat die dan dit snel opgroeiend en veranderend temperament moet missen. De ideale oplossing naar ons gevoel is - zoals meestal - de gulden middenweg. Het ophalen van kittens zou ten vroegste op 6 weken en ten laatste op 8 weken moeten gebeuren. Dit is geen verplichting, enkel een advies dat wij langs deze weg willen meegeven.

Het toedienen van vaccins gebeurt op verschillende tijdstippen in het leven van het dier en dit gedurende gans zijn leven. Hierover wordt echter zowel door sommige kattenkwekers als door sommige wetenschapsmensen vragen gesteld. Over de zin en onzin van vaccinaties kan gediscussieerd worden, en ook over de vraag of er niet wordt 'over'-gevaccineerd. Zolang de beschikbare vaccins niet veranderen is er echter geen wetenschappelijke fundering dat we verkeerd handelen en blijft het motto : veiligheid boven alles en voorkomen is ...

De vaccintoedieningen kunnen schematisch onderverdeeld worden in volgens de omgangstaal gebruikte terminologie, namelijk de babyspuitjes, de volwassen vaccinaties en de jaarlijkse rappel. Om u mee te helpen deze herhalingen op een juist tijdstip te laten geven, zenden wij u een uitnodiging ter herinnering.

Een klein woordje uitleg dient er gegeven te worden omtrent een vaccins dat nog niet besproken is; met name de hondsdolheid die wordt gegeven aan dieren die meegaan naar het buitenland, de wetgeving kan sterk verschillen van land tot land voor dieren die meegaan naar het buitenland.

Kattenziekte

Dit is een uiterst besmettelijke virusziekte die gekenmerkt wordt door hoge koorts, diarree en lusteloosheid. Ze kent meestal een dodelijke afloop. Een typisch beeld is dat van de uitgedroogde kat die boven het drinkbakje zit, met de neus vlak boven of in het water. Gezien het ernstige verloop van deze ziekte kan het belang van jaarlijkse vaccinatie niet genoeg benadrukt worden!

Niesziekte

Dit is net zo besmettelijk als kattenziekte, maar niet zo dodelijk. Het verloop hangt af van de leeftijd van het zieke dier en het stadium waarin een behandeling wordt opgestart. De ziekte is soms moeilijk te genezen en is daarom nogal belastend voor de patiënt en zijn omgeving. Als mogelijke complicatie zien we dat sommige dieren er tranende ogen van overhouden of telkens terugkerende longproblemen (chronische bronchitis). Niesziekte is gekenmerkt door tranende of etterende ogen samen met een lopende neus. Preventieve vaccinatie wordt aangeraden en gebeurt in combinatie met de vaccinatie tegen kattenziekte. Hier dient duidelijk onderstreept dat het eerste jaar van vaccinatie een herhalingsvaccinatie binnen de maand moet gegeven worden om een effectieve bescherming te verkrijgen.

Leucose

Dit is een virusziekte die leidt tot een wildgroei van witte bloedcellen. Het wordt in het dagelijkse leven verkeerdelijk kattenaids genoemd omdat de symptomen van uiteindelijke verzwakking zo gelijkend zijn met aids bij de mens. De besmetting gebeurt niet enkel via geslachtelijk contact maar vooral via het speeksel bij gevechten, spuwen, blazen, bijten … De kat krijgt bloedarmoede en vermagert. Door een verminderende weerstand komen ook een variatie aan aandoeningen voor zoals een chronische aantasting van het tandvlees. Kattenleukemie is ongeneeslijk maar kan afgeremd worden door medicatie. Het is niet zo besmettelijk als de voorgaande aandoeningen zodat een aangetaste kat niet noodzakelijk snel moet geëuthanaseerd worden. Vaccinatie wordt frequent uitgevoerd en dient het eerste jaar ook in twee fasen te gebeuren, dus met een herhalingsenting binnen de maand. Dit gebeurt dikwijls in combinatie met de katten-niesziekte vaccinatie (zie elders).

Feline Infectieuze Peritonitis

Dit is een besmettelijke buikvliesontsteking die via slijmvliezen overgebracht. Hier gaat het virus een prikkeling geven van de vliezen van de borst en/of buikholte waardoor er een vochtproductie ontstaat. De patiënt wordt dan steeds magerder, terwijl zich in de buik vocht ophoopt. Sommige eigenaars verkijken zich op dit beeld en vinden dat hun kat juist sterk verdikt is, daar waar het tegenovergestelde het geval is. Via behandeling kan geprobeerd worden deze aandoening af te remmen, maar ze is in alle gevallen dodelijk! Preventieve vaccinatie is mogelijk maar wordt in praktijk zelden toegepast, omdat dit probleem steeds de individuele kat aantast en nooit de groep. Anderzijds kunnen goedaardige virussen die alle katten van nature in zich dragen, spontaan muteren naar ziekmakende virussen, zodat de efficiëntie van het vaccin in vraag kan worden gesteld.

Kattenaids

Dit is dan de ziekte die vergelijkbaar is met de humane aids (HIV). Gelukkig kan dit niet op de mens worden overgedragen. Het immuunsysteem van het dier wordt zodanig aangetast dat er meestal een dodelijk verloop volgt. Er zijn echter ook katten drager van het FIV-virus zonder zelf ziek te zijn. Deze dragers kunnen wel andere katten besmetten!

Er is geen therapie en ook geen vaccinatie!

Animal Care Vet, Zwijndrechtsestraat 216, 2070 Burcht (België), ligging, Tel.: 03 252 71 69, info@animalcarevet.be, BTW BE0440 894 494, Stratenplan